woensdag 5 september 2007

Reukstoornissen



Reukstoornissen hebben grote gevolgen voor ons sociale leven. Het geeft onzekerheid over hoe het lichaam en de kleding ruikt en er kan minder genoten worden van voedsel.




En natuurlijk hebben reukstoornissen ook psychologische gevolgen. Geurprikkels kunnen herinneringen oproepen met gebeurtenissen of personen van vroeger. Geuren zijn in staat de hypothalamus en de hypofyse te activeren waardoor functies zoals de eetlust worden gestimuleerd.

Reukstoornissen kunnen worden veroorzaakt door mechanische of sensorisch neurale problemen.

Mechanische problemen: obstructie van de luchtweg (verstopte neus), veroorzaakt door allergieën , infecties en ziekten of poliepen. Het zorgt ervoor dat de geurstoffen minder goed of niet meer bij het reukepitheel kunnen komen.

Sensorisch neurale problemen: aandoeningen aan de reukcellen, het reukepitheel, de reukzenuw en het bijbehorende hersendeel. Sensorisch neurale oorzaken kunnen worden verdeeld in de groepen: aangeboren afwijkingen, chemische stoffen, infecties/ziekten, trauma/verwondingen en ouderdom.

Samenvattend kun je een drietal blokkades in de " reukweg " tegenkomen t.w.:

-de afwezigheid van actieve genen die coderen voor geurreceptoren, m.a.w. de primaire 'geurontvangers' zijn afwezig;

-storing van de transductie van het geursignaal, m.a.w. de geur wordt wel primair ontvangen maar het signaal wordt niet doorgegeven naar hoger gelegen hersendelen;

-de onmogelijkheid om het ontvangen en doorgegeven geursignaal te verwerken, m.a.w. de waarnemer mist 'hersennetwerken', die de signalen bewerken en omzetten in een antwoord (respons).

Van een verminderd reukvermogen ben je je meestal pas bewust wanneer je niets meer ruikt. En ook dan lijkt meestal de nood niet hoog genoeg om ervoor naar de dokter te stappen.

Een reukstoornis kan, vaak zonder we ons dat bewust zijn, voor een vervlakking van ons leven zorgen.

Er wordt nog weinig onderzoek gedaan naar de beleving van reukstoornissen door mensen. Toch kunnen dergelijke onderzoeken helpen om de kennis over reukstoornissen en over de impact van deze stoornissen op het welzijn en de kwaliteit van leven van mensen te vergroten.

Met deze kennis kunnen in de toekomst diagnostische instrumenten worden ontwikkeld, die gericht zijn op het opsporen van emotionele en praktische welzijnsproblemen bij mensen met reukstoornissen. Daarnaast kan deze kennis helpen om mensen, die een reukstoornis oplopen, te behandelen of beter met hun stoornis te leren om gaan

In een onderzoek door de Universiteit van Utrecht meldden 81 % van de respondenten anosmie te hebben, waarvan 7 % congenitaal, ofwel aangeboren.

In 9 % van de gevallen werd melding gemaakt van phantosmie en in eveneens 9 % van de gevallen van parosmie. Opvallend was dat bijna geen van de respondenten die anosmie meldden, meldden dat de anosmie volledig was. Vaak werden naast anosmie ook phantosmische of parosmische klachten gemeld.

Als de belangrijkste oorzaken werden genoemd virussen en verkoudheden (23 %). Opvallend was dat ongevallen en klappen op het hoofd ook door veel mensen werden genoemd (21 %).

64 % van de respondenten gaf aan praktische beperkingen te ondervinden als gevolg van hun reukstoornis. Vaak had dit te maken met het niet kunnen ontdekken van rot voedsel, gas of brand of met persoonlijke hygiëne (zweetlucht). Deze uitkomst was als verwacht.

26 % van de respondenten gaf aan geuren uit de natuur en van kinderen en partner te missen. Opvallend was dat dit, samen met het missen van prettigere geuren, een negatieve invloed op de seksualiteitsbeleving had.

Een andere, te verwachten, uitkomst was dat 20 % van de respondenten aangaf sinds de reukstoornis een saaier en vlakker leven te zijn gaan leiden.

Maar uit het onderzoek kwamen ook een aantal positieve consequenties van reukstoornissen naar voren. 34 % gaf aan praktische gemakken te ervaren als gevolg van hun reukstoornis: bijvoorbeeld het niet ruiken van poeplucht of andere onprettige geuren.

Dit is een interessante uitkomst omdat zeker zo een 15 % van de respondenten aangaf bagatelliseren van de reukstoornis door anderen met opmerkingen als ‘dan ruik je de nare geuren ook niet’, als erg vervelend te ervaren.

Vermoedelijk heeft dit te maken met de copingstijl van de respondenten, oftewel met de manier waarop de verschillende respondenten met hun stoornis omgaan. Het zou kunnen dat de 34 % van de respondenten die zelf aangeeft het ‘soms wel handig’ te vinden geen nare geuren meer te ruiken, op deze manier zijn stoornis beziet, omdat deze dan makkelijker te integreren is in zijn dagelijks leven.

Een andere manier om een stoornis een bepaalde plek te geven, is het relativeren van de stoornis: “het kan erger”. Dit werd bij 12 % van de respondenten gevonden. Naast deze twee manieren van coping zijn er natuurlijk nog andere mogelijke manieren om een reukstoornis een plek te geven in het leven.

13 % van de respondenten meldt dat men meer begrip heeft gekregen voor andere handicaps. 12 % meldt dat de reukstoornis een verrijking van het leven heeft gebracht.

34 % van de respondenten gaf aan geen positieve consequenties van hun reukstoornissen te ondervinden.

Het meest gemelde effect op stemming en emoties was een angst of verhoogde alertheid op brand of gaslekken. Daarnaast viel op dat veel participanten last hadden van onzekerheid over hun lichaamsgeur op het werk of in andere sociale situaties. Ook opvallend was dat 11 % van de participanten aangaf niet meer uit eten te willen gaan, tegenover 3 % die dat wel deed, maar aangaf op een andere manier van het uit eten gaan te genieten. Bijvoorbeeld door minder op smaak, maar meer op textuur van het eten te letten en op de sfeer er rondom.

Waar het stemming betreft, viel op dat participanten in plaats van depressief vaker verdriet, somberheid en neerslachtigheid ervaren. Dit duidt in psychologische zin op lichtere klachten dan van welke er sprake is tijdens een full-blown depressie.

Toch dient er gekeken te worden in welke mate die ogenschijnlijk “lichte” emotionele klachten het leven van participanten beïnvloeden. Het is voor te stellen dat het constant ervaren van gevoelens van verdriet en gemis een even grote impact op de kwaliteit van leven heeft, als een terugkerende depressie.

Voornamelijk viel op dat er veel frustraties en woede leefde onder de respondenten, met betrekking tot het onbegrip van artsen en de rest van de buitenwereld. 31 % gaf aan zich onbegrepen te voelen. 20 % van de respondenten gaf aan dat mensen zich geen voorstelling kunnen maken van een reukstoornis. 23 % meldt dat het makkelijk vergeten wordt als iemand een reukstoornis heeft en 15 % heeft last van bagatelliseren van de stoornis, door opmerkingen als “ach, dan ruik je ook het riool niet meer”.

Geen opmerkingen: