dinsdag 25 september 2007

Ruiken en proeven

Je ruikt en proeft de geur (aroma) van wat je eet en drinkt door geurwaarneming via de neus (orthonasaal) en via de mond (retronasaal)

Door op de afbeelding hiernaast te klikken is goed te zien hoe de geurstromen via de neus en de mond lopen.


Als we niet goed kunnen ruiken en proeven wat we eten en drinken gaan we, vaak onbewust, af op bijkomende zaken zoals de textuur, hoe voedsel in de mond voelt, temperatuur, vorm, kleur en zelfs het geluid van het voedsel.

De smaakzin kent vier basissmaken -zoet, zout, zuur en bitter- met ieder eigen smaakpapillen op de tong. Uit onderzoek is gebleken dat mensen nog een vijfde smaak hebben, die gevoelig is voor glutamaat, een van de twintig bouwstenen van de eiwitten in vlees, vis en groenten. Deze smaak wordt aangeduid als ‘unami’ en
betekent ‘vlezig’ of ‘pikant’. Het verhoogt de speekselafscheiding en versterkt de hartig zoute en de zoete smaken.

Maar we hebben op de tong ook nog een vettige gewaarwording. Bijvoorbeeld bij het eten van slagroom.

De hete of scherpe gewaarwording van bijvoorbeeld peper is geen smaak maar een prikkeling. Het wordt veroorzaakt door de stof capsaïcine die onze gevoelszenuw (het trigeminaal systeem)irriteert. We noemen het voedsel dan 'heet'.

Er zijn mensen die aangeven dat zij door een verminderde reuk-en of smaakzin afvallen omdat zij minder zin in voedsel en drank hebben.

vrijdag 21 september 2007

Geursensitisatie


Er is altijd gedacht dat geurblindheid voor bepaalde geuren stabiel is over tijd, zoals bijvoorbeeld ook het geval is met kleurenblindheid.




Deze opvatting is veranderd door de ervaring van onderzoekers, die zelf geurblind waren voor bepaalde geuren, en er bij toeval achter kwamen dat als zij veel blootgesteld waren aan die geuren wel in staat waren die waar te nemen. Ik heb tijdens mijn reukonderzoek soortgelijke ervaringen opgedaan.

De theorie over het mechanisme achter het gevoelig worden voor bepaalde geuren van oorspronkelijk geurblinde mensen is medisch en hypothetisch. Er wordt verondersteld dat mensen met een geurblindheid voor bepaalde geuren een defecte receptor hebben of de receptor missen die het mogelijk maakt deze geuren waar te nemen.

Het sensitisatie proces (gevoelig worden) voor geuren zou op dezelfde manier kunnen werken als het immuunsysteem, waarbij een specifieke receptor pas ontstaat na gevoelig te zijn geworden door blootstelling aan een antigen. De receptor voor een bepaalde geur zou ook op deze manier kunnen ontstaan.

Recenter onderzoek pleit voor centrale processen in het brein dan wel perifere processen van het geursysteem, die een rol zouden spelen bij sensitisatie.

Zo is er onderzoek gedaan naar het mechanisme dat ten grondslag ligt aan het sensitisatie proces voor de lichaamseigen stof androstenon.Uit dit onderzoek blijkt dat wanneer bij mensen met geurblindheid voor androstenon slechts één neusgat aan androstenon wordt blootgesteld, zowel het blootgestelde neusgat als het naïeve en kunstmatig geblokkeerde neusgat kunnen leren om androstenon te herkennen.

Dit leerproces lijkt plaats te vinden in een centraal gedeelte van ons brein door dat informatie van beide neusgaten wordt ontvangen en wordt gecombineerd. Daarnaast is het ook mogelijk dat een centraal signaal de plasticiteit en gevoeligheid van receptoren in perifere delen van het brein aanstuurt.

Bestaande receptoren voor androstenon zouden in het ‘sensitisatie’ proces vermenigvuldigen per neuron of deze receptoren zouden gevormd worden uit stamcellen. Deze veronderstelling wordt tevens ondersteund door de resultaten van ander onderzoek.

Wat bij de ene geur werkt hoeft natuurlijk niet bij een andere geur te werken maar samengevat mogen we op grond van de resultaten van de onderzoeken die zijn gedaan er van uitgaan dat het mogelijk is om in een aantal gevallen mensen met geurblindheid weer voor bepaalde geurstoffen gevoelig te maken door middel van frequente blootstelling daaraan. Daarnaast is het ook mogelijk om op die wijze detectiedrempels voor bepaalde geuren te verlagen.

Een eenvoudige manier om jezelf of anderen gevoelig te maken is via het reukoefenspel WIE RUIKT WAT waarbij er op basis van zelf gekozen natuurlijke geurstoffen op twee detectie niveaus geoefend kan worden.

donderdag 6 september 2007

Neusademen en reukzin



Onze neus is een chemisch zintuiglijk wonder. Ruik eens aan je hand en voel tegelijkertijd je warme levensadem. Voel je hoe je ademt.?





Neusademen met je middenrif, een flinke spier tussen borst en buik , is het beste. Door deze goed te bewegen wordt de schone lucht via je holten diep in de longen gezogen, waar de zuurstof worden afgegeven en de vuile lucht weer wordt opgenomen en uitgeademd. Ook wordt dan het vocht uit de longen weer verwijderd. Je kunt zo ook beter geuren waarnemen.

De reukzin is een “ oerzintuig ” en speelt een grote rol bij elementaire behoeften als ademhalen, eten, drinken en sex.

In de bekleding bovenin beide neusholtes, het reukepitheel, liggen miljoenen reukcellen die elk één ontvanger, die we receptor noemen, bezitten. Er zijn ongeveer duizend verschillende typen receptoren die met hun reukharen de geurmoleculen opvangen.

Wij kunnen vele duizenden geuren herkennen omdat een geurmolecule,het kleinste deeltje met de eigenschap van een geur, meerdere typen receptoren kan prikkelen.

De geur arriveert vervolgens in het emotionele deel van het limbische systeem, het oudste deel van de hersen dat betrokken is bij emotie, motivatie en genot, waarna het doorgestuurd wordt naar de denkende delen.

Dit in tegenstelling tot zintuigen als visus en gehoor, die via een lang en ingewikkeld zenuwsysteem informatie doorgeven aan de hersenen.

De prikkels van alle andere zintuigen worden eerst voorverwerkt door de cortex voor we ze waarnemen. De cortex kan signalen afzwakken of zelfs wegcensureren. Maar geur wordt direct waargenomen.

De visus en het gehoor worden wel aangeduid als “ hogere zintuigen ”, terwijl de reuk-en tastzin “ lagere zintuigen ” worden genoemd.

De geur van vers gemaaid gras kan je een fijn gevoel geven, de geur van brand waarschuwt je voor gevaar. Vaak ben je je er niet bewust van hoe sterk je neus werkt, totdat je verkouden bent.

Geuren roepen moeiteloos oude herinneringen op. Geuren brengen je sneller terug naar herinneringen uit het verleden dan andere prikkels, zoals beeld en geluid.

We communiceren met geuren. Ook als je je zonder aanwijsbare reden aangetrokken voelt tot iemand , kan dat met geur te maken hebben.

Wanneer een geur geassocieerd wordt met een bepaalde emotie, dan wordt de waardering voor die geur gewijzigd om aan die associatie te beantwoorden.

Maar ook individuele genetische verschillen kunnen een rol spelen bij de emotionele reactie op geuren.

woensdag 5 september 2007

Reukstoornissen



Reukstoornissen hebben grote gevolgen voor ons sociale leven. Het geeft onzekerheid over hoe het lichaam en de kleding ruikt en er kan minder genoten worden van voedsel.




En natuurlijk hebben reukstoornissen ook psychologische gevolgen. Geurprikkels kunnen herinneringen oproepen met gebeurtenissen of personen van vroeger. Geuren zijn in staat de hypothalamus en de hypofyse te activeren waardoor functies zoals de eetlust worden gestimuleerd.

Reukstoornissen kunnen worden veroorzaakt door mechanische of sensorisch neurale problemen.

Mechanische problemen: obstructie van de luchtweg (verstopte neus), veroorzaakt door allergieën , infecties en ziekten of poliepen. Het zorgt ervoor dat de geurstoffen minder goed of niet meer bij het reukepitheel kunnen komen.

Sensorisch neurale problemen: aandoeningen aan de reukcellen, het reukepitheel, de reukzenuw en het bijbehorende hersendeel. Sensorisch neurale oorzaken kunnen worden verdeeld in de groepen: aangeboren afwijkingen, chemische stoffen, infecties/ziekten, trauma/verwondingen en ouderdom.

Samenvattend kun je een drietal blokkades in de " reukweg " tegenkomen t.w.:

-de afwezigheid van actieve genen die coderen voor geurreceptoren, m.a.w. de primaire 'geurontvangers' zijn afwezig;

-storing van de transductie van het geursignaal, m.a.w. de geur wordt wel primair ontvangen maar het signaal wordt niet doorgegeven naar hoger gelegen hersendelen;

-de onmogelijkheid om het ontvangen en doorgegeven geursignaal te verwerken, m.a.w. de waarnemer mist 'hersennetwerken', die de signalen bewerken en omzetten in een antwoord (respons).

Van een verminderd reukvermogen ben je je meestal pas bewust wanneer je niets meer ruikt. En ook dan lijkt meestal de nood niet hoog genoeg om ervoor naar de dokter te stappen.

Een reukstoornis kan, vaak zonder we ons dat bewust zijn, voor een vervlakking van ons leven zorgen.

Er wordt nog weinig onderzoek gedaan naar de beleving van reukstoornissen door mensen. Toch kunnen dergelijke onderzoeken helpen om de kennis over reukstoornissen en over de impact van deze stoornissen op het welzijn en de kwaliteit van leven van mensen te vergroten.

Met deze kennis kunnen in de toekomst diagnostische instrumenten worden ontwikkeld, die gericht zijn op het opsporen van emotionele en praktische welzijnsproblemen bij mensen met reukstoornissen. Daarnaast kan deze kennis helpen om mensen, die een reukstoornis oplopen, te behandelen of beter met hun stoornis te leren om gaan

In een onderzoek door de Universiteit van Utrecht meldden 81 % van de respondenten anosmie te hebben, waarvan 7 % congenitaal, ofwel aangeboren.

In 9 % van de gevallen werd melding gemaakt van phantosmie en in eveneens 9 % van de gevallen van parosmie. Opvallend was dat bijna geen van de respondenten die anosmie meldden, meldden dat de anosmie volledig was. Vaak werden naast anosmie ook phantosmische of parosmische klachten gemeld.

Als de belangrijkste oorzaken werden genoemd virussen en verkoudheden (23 %). Opvallend was dat ongevallen en klappen op het hoofd ook door veel mensen werden genoemd (21 %).

64 % van de respondenten gaf aan praktische beperkingen te ondervinden als gevolg van hun reukstoornis. Vaak had dit te maken met het niet kunnen ontdekken van rot voedsel, gas of brand of met persoonlijke hygiëne (zweetlucht). Deze uitkomst was als verwacht.

26 % van de respondenten gaf aan geuren uit de natuur en van kinderen en partner te missen. Opvallend was dat dit, samen met het missen van prettigere geuren, een negatieve invloed op de seksualiteitsbeleving had.

Een andere, te verwachten, uitkomst was dat 20 % van de respondenten aangaf sinds de reukstoornis een saaier en vlakker leven te zijn gaan leiden.

Maar uit het onderzoek kwamen ook een aantal positieve consequenties van reukstoornissen naar voren. 34 % gaf aan praktische gemakken te ervaren als gevolg van hun reukstoornis: bijvoorbeeld het niet ruiken van poeplucht of andere onprettige geuren.

Dit is een interessante uitkomst omdat zeker zo een 15 % van de respondenten aangaf bagatelliseren van de reukstoornis door anderen met opmerkingen als ‘dan ruik je de nare geuren ook niet’, als erg vervelend te ervaren.

Vermoedelijk heeft dit te maken met de copingstijl van de respondenten, oftewel met de manier waarop de verschillende respondenten met hun stoornis omgaan. Het zou kunnen dat de 34 % van de respondenten die zelf aangeeft het ‘soms wel handig’ te vinden geen nare geuren meer te ruiken, op deze manier zijn stoornis beziet, omdat deze dan makkelijker te integreren is in zijn dagelijks leven.

Een andere manier om een stoornis een bepaalde plek te geven, is het relativeren van de stoornis: “het kan erger”. Dit werd bij 12 % van de respondenten gevonden. Naast deze twee manieren van coping zijn er natuurlijk nog andere mogelijke manieren om een reukstoornis een plek te geven in het leven.

13 % van de respondenten meldt dat men meer begrip heeft gekregen voor andere handicaps. 12 % meldt dat de reukstoornis een verrijking van het leven heeft gebracht.

34 % van de respondenten gaf aan geen positieve consequenties van hun reukstoornissen te ondervinden.

Het meest gemelde effect op stemming en emoties was een angst of verhoogde alertheid op brand of gaslekken. Daarnaast viel op dat veel participanten last hadden van onzekerheid over hun lichaamsgeur op het werk of in andere sociale situaties. Ook opvallend was dat 11 % van de participanten aangaf niet meer uit eten te willen gaan, tegenover 3 % die dat wel deed, maar aangaf op een andere manier van het uit eten gaan te genieten. Bijvoorbeeld door minder op smaak, maar meer op textuur van het eten te letten en op de sfeer er rondom.

Waar het stemming betreft, viel op dat participanten in plaats van depressief vaker verdriet, somberheid en neerslachtigheid ervaren. Dit duidt in psychologische zin op lichtere klachten dan van welke er sprake is tijdens een full-blown depressie.

Toch dient er gekeken te worden in welke mate die ogenschijnlijk “lichte” emotionele klachten het leven van participanten beïnvloeden. Het is voor te stellen dat het constant ervaren van gevoelens van verdriet en gemis een even grote impact op de kwaliteit van leven heeft, als een terugkerende depressie.

Voornamelijk viel op dat er veel frustraties en woede leefde onder de respondenten, met betrekking tot het onbegrip van artsen en de rest van de buitenwereld. 31 % gaf aan zich onbegrepen te voelen. 20 % van de respondenten gaf aan dat mensen zich geen voorstelling kunnen maken van een reukstoornis. 23 % meldt dat het makkelijk vergeten wordt als iemand een reukstoornis heeft en 15 % heeft last van bagatelliseren van de stoornis, door opmerkingen als “ach, dan ruik je ook het riool niet meer”.

Was en wees jezelf


Water is de bron van alle leven, we bestaan grotendeels uit water, en is daarmee voor de lichaamsfuncties, inclusief de huid, van elementair belang.


Onze huid is de buitenste laag van ons lichaam en beschermt onze organen tegen stoten en schaven. Ook beschermt hij ons lichaam tegen uitdroging en regelt hij onze temperatuur. Verder zorgt hij ervoor dat schadelijke bacteriën niet in ons lichaam kunnen doordringen.

De huid is opgebouwd uit verschillende lagen. De huid is op sommige plaatsen heel dun, zoals op ons voorhoofd en de oogleden. Op andere plaatsen, zoals de voetzolen en handpalmen, is onze huid juist dik. Voel maar eens aan je oogleden en kijk en voel daarna aan je handpalmen.

Dagelijks grondig wassen met water is voldoende voor het verwijderen van zweet en niet vettig vuil. De buitenste laag van de huid, waarin de huidcellen als het ware met specie aan elkaar vastzitten, kan maar een klein beetje water opnemen of afgeven. Zo kan water niet zomaar de huid binnendringen en kan er ook niet teveel vocht uit het lichaam verdwijnen.

Talg en zweet vormen een vetlaagje op onze huid. Deze film bevat stoffen die de huid soepel houden. Ze wordt wel “hydrolipidelaag” genoemd. Bij te lang contact met water zwelt de huid op en kan er meer vocht verdampen waardoor onze huid uitdroogt.

Een haar bestaat uit een wortel, die in de huid vast ligt, en het zichtbare deel van de haar, de schacht. De haar is elastisch, kan water opnemen en wordt door talgklieren vet gehouden. In ons haar komt naast talg en huidschilfers ook vuil terecht.

Vettig vuil wordt door water alleen niet verwijderd. Daar is een wasactieve stof voor nodig die een brug vormt tussen water en vet, substanties die elkaar normaal gesproken afstoten, en het vettig vuil los maakt van de huid en het haar. Omdat we allemaal, de een wat meer dan de ander, vettig vuil kunnen oplopen is dan ook het zuinige gebruik van een zuivere gel of zuiver zeepje met de ideale compositie van natuurzuivere ingredienten , waarmee je na gebruik lekker naar jezelf blijft geuren, aan te raden.

Het kan nodig zijn om een droge huid en of het haar iets “ bij te voeden” met een plantaardige basisolie of een combinatie daarvan. Voordelen van plantaardige oliën op de huid zijn de vochtbindende eigenschappen, het zacht en soepel houden van de huid en - meestal indirect - een positieve invloed op een aantal huidaandoeningen, waaronder bepaalde soorten eczeem.

De keuze van de olie wordt bepaald door factoren als leeftijd, seizoen, huidgesteldheid en aandoeningen. Soms is een wat vettere olie gunstiger, soms een iets “ drogere”.

Ego ecosysteem

Onze huid is een prachtig ecosysteem met een grote gemengde, maar stabiele populatie van micro-organismen waarbij factoren als temperatuur, vochtigheid en zuurgraad van invloed zijn op geslaagde kolonisatie.

Bij bacteriën denkt men vaak aan ziekteverwekkers, maar er zijn ook veel nuttige bacteriën. Die spelen een hoofdrol bij het beschermen van ons organisme tegen infecties.

Dag en nacht zijn deze " blijvertjes " (de commensalen) op en in onze huid in de weer om de " voorbijgangers " (de transienten), die ons ziek kunnen maken, te elimineren. Ze horen bij ons leven en we kunnen niet zonder ze.

Werden tot voor kort huidbacteriën alleen geïdentificeerd door ze te kweken op een voedingsbodem, dan ziet men alleen de bacteriën die daarop kunnen groeien, door nieuwe technieken heeft men kunnen vaststellen dat bijvoorbeeld alleen al op de onderarm van mensen meer dan 180 soorten bacteriën leven. Hoewel mensen een aantal soorten bacteriën gemeenschappelijk hebben verschilt de huidflora van persoon tot persoon.

Maar de bacteriën op en in onze huid spelen ook een belangrijke rol bij het omzetten van de vele stoffen, de substraten die in onze klieren worden geproduceerd en op en in de huid vrijkomen, naar lichaamseigen geuren.

De kwalitatieve en kwantitatieve samenstelling van de substraten wordt mede bepaald door nutriele en endocriene invloeden van binnenuit. De samenstelling van de geurstoffen op de huid kan dan ook per persoon van dag tot dag variëren.

Met prebiotica, voedingsstoffen voor bacteriën,of probiotica, toevoeging van bacteriën, in een deo of andere cosmetica, kan de huidflora en daarmee de lichaamseigen geur van buitenaf worden beïnvloed.

Je kunt met lactobacillen werken om te bezien in hoeverre het door melkzuurbacteriën geproduceerde mevalonzuur aanleiding zou kunnen zijn tot synergie met coryneforme bacterien en of daardoor androstenen in grotere mate geproduceerd zouden kunnen worden.

De industrie is alweer bezig om produkten met microbiële culturen, zoals de Lactobacillus ala-odoris, te ontwikkelen om lichaamseigen geuren te bestrijden.

Maar waarom zou je je goede huidflora, die bij een gezond mens in balans is en perfect haar werk doet , gaan bestrijden of manipuleren.

Wel dagelijks wassen , spaarzaam met een natuurzuiver zeepje , tanden poetsen en een tongschraper gebruiken.

dinsdag 4 september 2007

De ommekeer


Ik zat jaren geleden in mijn eentje in een gerenommeerde geurstudio achter een geurorgeltje uit liefhebberij een niet onverdienstelijk parfummetje te maken.




Overprikkeld geraakt door de vele synthetische geurtjes die mijn neus waren gepasseerd vroeg ik aan de houdster van de studio, die voorovergebogen nieuwsgierig en gedienstig volgde wat ik aan het componeren was, of ik even aan haar hals mocht ruiken.

Ik rook ter hoogte van haar halsslagader een heerlijke mengeling van licht zweet en bereidwilligheid en zei spontaan ” je ruikt heerlijk ” . “ Maar ik heb helemaal niets op ”, zei ze geschrokken alsof ze zich betrapt voelde , waarop ik antwoordde: “ daarom juist. ”

Het parfummetje, dat ik “ Scent of Air ” doopte, heb ik nog afgemaakt en meegenomen maar toen ik, op verzoek van de studiohoudster, de receptuur aan haar gaf wist ik al voor mijzelf: er gaat niets boven natuurlijke geuren, zoals onze lichaamseigen geur .

Ik besefte dat wij van onszelf geuren en kleuren en maakte een ommekeer die het begin werd van een boeiende ontdekkingsreis naar mijzelf.

Het maken van een goed geurtje achter een orgeltje blijft een boeiende bezigheid waarvoor je veel kennis en geurgevoel nodig hebt.

En je kunt, wanneer je door een gezonde lijfstijl lekker van jezelf ruikt, altijd nog een parfummetje van je eigen lichaamsgeur (laten) maken.

Met de koud vet enfleurage methode, dezelfde techniek waarmee men vroeger de absolue van tere bloemblaadjes won, is dat mogelijk.